HENDRIK JAN MARSMAN

In de serie Muggenreeks (uitgeverij J.H.Gottmer/H.J.W.Becht B.V.), waarin diverse schrijvers hun verhouding tot Haarlem en de Haarlemmers verwoorden, verscheen in 1998 van J. Bernlef (pseudoniem van Hendrik Jan Marsman, geboren in 1937 en overleden op 29 oktober 2012) “Onbewaakt Ogenblik”. Bernlef woonde met zijn familie van 1950 tot 1953 in Haarlem. En wat blijkt: AV Haarlem telde niet alleen een bekende schrijver, maar tevens zeer verdienstelijk sprinter onder zijn oud-leden. De persoon naar wie de uitgeverij is vernoemd, Jan Gottmer, was een trouwe HAV-er; hij zorgde ervoor dat de vereniging in 1945, ondanks de papierschaarste vlak na de oorlog, een mooi jubileumboek kon uitgeven.

Onderstaand een fragment uit Bernlefs boeiend, autobiografisch verhaal, waarin de schrijver zijn ervaringen met de atletiek en de Haarlemse Athletiek Vereniging beschrijft. Dit fragment werd eerder (in 2000) met toestemming van de auteur en de uitgever opgenomen in ons clubblad. © Leo van der Veer, 2012

“Vlak bij de Sparenbergstraat lag aan de Kleverlaan een groot sportveld waar de Haarlemse Athletiek Vereniging die zomer zogenaamde ‘introductiewedstrijden’ hield. Op mijn gympen deed ik mee aan de zestig meter voor jongens. Via de series kwam ik in de finale, die ik met gemak won. De volgende dag stond er een meneer van HAV voor de deur om te vragen of ik lid wilde worden. Dat vond mijn vader goed. Ook kreeg ik een paar spikes. Zonder slag of stoot. Mijn vader vond voetballen een sport voor proletariërs. Echte sport was de krachtmeting van de een met de ander. De Olympische gedachte sprak hem aan.

Door de viervoudige overwinning van Fanny Blankers-Koen tijdens de Olympische Spelen van 1948 in Engeland stond de atletiek in de publieke belangstelling, ook bij mijn vader, die mij meenam naar de feestelijke intocht van de kampioene in de Haarlemmermeerstraat, waar zij in een open rijtuig voor de deur werd afgezet en van de burgemeester van Amsterdam een fiets kreeg aangeboden. Ze lachte met grote vooruitstekende tanden.

Bij het hardlopen gaat het maar om één ding: de snelste zijn. In het begin was ik dat ook. Maar toen ik met HAV aan de clubkampioenschappen voor junioren mee ging doen werd ik de eerste keer in de finale derde. Eigenlijk was ik ontroostbaar, al liet ik dat niet merken.

Zonder het mij bewust te zijn raakte ik in de ban van wat men later ‘topsport’ is gaan noemen. Er maakte zich een bewustzijnsvernauwing van je meester waarbij alles in het teken komt te staan van de Tijd, die paar seconden die je van de overwinning en het kampioenschap scheiden. Die seconden overbruggen kon maar op één manier: door te trainen.

Drie keer in de week trainde ik aan de Kleverlaan. Tot het donker begon te worden liep ik met de andere atleten trainingsrondjes, zo nu en dan aanzettend voor een korte tussensprint (de zogenaamde ‘Steigerung’). ’s Winters vonden de trainingen plaats op het terrein van het CIOS-instituut in Overveen, een opleiding voor sportleraren. Lange boslopen. Dampende douches met schreeuwende, lachende, naakte jongens. In die betegelde ruimte vol kolkende stoom voelde ik mij deel van een geheel. Voor het eerst was ik lid van een club die mij om mijn prestaties waardeerde.

Op mijn verjaardag kreeg ik een boekje over atletiek, geschreven door Jan Blankers, de echtgenoot en trainer van de Olympisch kampioene. Ook dat boekje stond vol tekeningen, grafieken, pijlen en cijfers. Maar nu zeiden ze me iets, ze beschreven mijn leven, gaven richting aan mijn toekomst. En allemaal wezen ze in één richting: de overwinning, het breken van records. 

Vanuit zijn boek bestuurde Jan Blankers mijn leven. Vroeg opstaan, vroeg naar bed, gezond eten, steeds hogere eisen aan jezelf stellen. Zelfs de vermaning, in uiterst bedekte termen gesteld, om mij niet langer over te geven aan mijn jongenslusten, vond een willig oor. Een koude douche was volgens Jan Blankers een probaat middel tegen die neiging waaraan toegeven een ernstige aantasting van je vorm betekende. Ik was bereid alle offers te brengen.

Van de zestig meter ging ik over naar de tachtig meter en nog een jaar later naar de officiële sprintersafstand: de honderd meter.

Jan Blankers vergeleek in zijn boek de sprinter met een explosiemotor. Alles hing af van een perfecte start. Wie te langzaam uit de blokken kwam, lag al meteen op een vaak fatale achterstand. Startte je te snel, dan liep je het risico gediskwalificeerd te worden. Ideaal was natuurlijk als je ‘in het schot’ viel, maar daar kon je niet op vertrouwen omdat iedere starter tussen de commando’s ‘klaar’ en ‘af’ een andere pauze in acht nam.

Ik begon het startblok, dat ijzeren frame met verstelbare houten blokken, door de ogen van Jan Blankers te bekijken. In de ideale verhouding tussen de twee blokken lag het geheim van de snelle start. Het rechterblok naar voren (maar hoeveel vakken precies?), het linker meer naar achteren, net zover tot je linker spike op de juiste manier kracht kon zetten en je je kuitspier voelde spannen als je uit geknielde houding omhoog kwam. Even dacht je dat je hem gevonden had, maar na een trage start keerde je mismoedig naar je startblok terug. Je bukte en verzette het linker blok. Het was zoiets als het zoeken naar de gulden snede, de perfecte balans van waaruit je een explosiemotor kon worden. (Die explosiemotor was niet zomaar een beeld. Jaren later las ik hoe de Duitse sprinter Hary – de eerste Europese atleet die de honderd meter in tien seconden rond liep – net zo lang op het vergroten van zijn longinhoud had getraind tot hij de honderd meter in één adem kon lopen.)

Nog steeds kan ik dat moment voor de start oproepen. In je trainingspak, met op je rug de letters van je club, wip je op je spikes achter het jou aangewezen startblok van je hielen op je tenen en weer terug, terwijl je vanuit je ooghoeken je tegenstanders, van wie je de meesten uit andere wedstrijden kent, bestudeert. Je bent tot het uiterste geconcentreerd, maar toch net niet te veel, want Jan Blankers heeft je geleerd dat overconcentratie juist tot een trage start kan leiden. Dan komt de starter, het pistool nonchalant bungelend in de hand, aanlopen. Je trekt je trainingspak uit, legt het keurig opgevouwen achter het startblok (de eerste van een reeks rituele handelingen die aan iedere wedstrijd voorafgaat). Dan zet je de blokjes in de voor jou op dat moment enig juiste stand. Je kijkt naar de magische verhouding, knielt in het blok en drukt je spikes voorzichtig tegen de schuin naar achteren hellende blokjes terwijl je je vingers net voor de witte krijtlijn spreidt. Even doe je alsof je gaat starten, komt dan traag overeind en houdt je kuitspieren schuddend in beweging. Je spieren mogen niet afkoelen. Dan klinkt het bevel van de starter. ‘Op uw plaatsen’. Nu houd je op met denken. Je bent alleen nog maar een luisterend lichaam, dat zich als een veer spant wanneer het parool ‘klaar’ klinkt, om zich na het schot, dat als een bescheiden plofje vanuit de verte tot je doordring, in de race te storten. Na de eerste meters komt je romp omhoog, je ogen zijn op de finish gericht. Maar eigenlijk zie je niets, je bent een explosiemotor geworden die in twaalf seconden al zijn beschikbare lucht naar buiten pompt.

Twaalf seconden. En daarna elf komma negen, komma acht, tot je op elf komma één blijft steken. Daar ligt de grens, een grens die ten koste van alles overschreden moet worden. Want je kunt sneller, dat weet je zeker.

Voor een buitenstaander is het niet goed te begrijpen. Wat maakt zo’n tiende van een seconde nu uit? Een belachelijke vraag. Alles! De atleet drukt zich uit in zijn beste tijd. Die tijd zegt wie hij is op dat moment, daardoor is hij herkenbaar en plaatsbaar in de hiërarchie. En omdat een beste tijd altijd nog beter kan, wordt snelheid tot een obsessie. Je weet dat je het in je hebt, die tiende van een seconde sneller die je door de magische grens van elf seconden heen zal doen breken, zodat je je in het gezelschap van de grote sprinters zult bevinden, zij die de honderd meter onder de elf seconden liepen. Jesse Owens (10,1), Chris Berger (10,3).

De periode waarin ik me zo fanatiek met hardlopen bezighield heeft maar drie jaar geduurd, maar in die drie jaar was ik volmaakt gelukkig. Alles wat ik was vond zijn uitdrukking in mijn beste tijd: 10,9. Zo nauwkeurig heb ik mij later nooit meer gevoeld, zo helder en duidelijk, zo zonder een spoor van twijfel.”  

Annuleren