Het achttienjarige lijf

Juni 1960, de sintelbaan in de Leidse Hout. Een 1500 meter.IK was 18 jaar oud en eerstejaars a-junior. Na het startschot zette ik even flink aan om bij het voorste deel van de groep te geraken  en ging toen over in een rustiger tempo. Om de ruimte te hebben voor mijn lange pas, bleef ik constant aan de buitenkant lopen. Door mijn relatief zware lichaamsbouw begon ik al na 100 meter te hijgen. Een tamelijk kleine jongen met sluik blond haar had de leiding genomen; hij liep  met een korte zelfverzekerde tred, alsof hij er al zeker van was dat hij de race ging winnen. Al in de tweede ronde kwam de gedachte aan opgeven bij me op. Waarom zou ik mijn lichaam nog langer pijnigen? Winnen kon ik toch niet. Maar als je een keer toegeeft aan die neiging kun je het altijd wel doen en is  het afgelopen met je carrière. Eerst maar eens die  tweede ronde uitlopen en dan verder zien. Dat lukte met veel pijn en moeite. Nu waren we al op de helft. Ook de derde ronde kwam ik door. Langzaam, steeds zwaarder hijgend schoof ik op naar de derde positie. Mijn ademhaling liet ik nu helemaal los, hij  gierde aan alle kanten door mijn lijf. We passeerden de voorlaatste bocht en ik schoof nog een plaats op, kwam schouder aan schouder te lopen met de voorste loper. Had ik nog energie genoeg om naast hem te gaan lopen? Die had ik. Ik ging zelfs een stap voor hem lopen, maar bleef voorlopig op ongeveer een meter van de binnenrand van de baan. Tienmeter verderop deed ik een stap naar binnen, ging langs de rand lopen. Nu was het volstrekt duidelijk dat ik snode plannen had en voelde ik de blik in mijn rug die iedereen krijgt nagezonden die uit een groep demarreert. Alles deed me nu pijn, ik was één bonk pijn, overeind gehouden door de wilom te winnen. Bij het ronden van de laatste bocht had ik het gevoel dat ik mijn voeten een voor een uit een zuigend moeras moest trekken. Ik perste er nog een sprintje uit en kwam meteen hoge piepende ademhaling als eerste over de finish in een tijd van 4min13.2 – een persoonlijk record.

23  augustus 2023, Boedapest,

Om de wereldkampioenschappen atletiek bij te wonen in het gloednieuwe stadion dat Viktor Orbán langs de Donau heeft laten neerzetten (en ook omdat ik graag in Hongarije kom) ben ik met de bus naar Boedapest gereisd, maar ik ben er niet in geslaagd kaartjes te bemachtigen voor de avondsessies, waarin de  finales worden gelopen. Daarom kijk ik op mijn  hotelkamer naar de finale van de 1500 meter, waar een Nederlandse jongen van achttien jaar aan meedoet – Niels Laros. Thuis heb ik hem de serie en de halve finale zien lopen. Zijn serie won hij en in de halve finale werd hij derde; dus de verwachtingen zijn hooggespannen. Laros is een afwachtende loper, hij houdt zich voorlopig gedeisd, loopt in het midden van de groep, raakt ingesloten, maar dat doet er niet toe, hij heeft lang niet zoveel ruimte nodig voor zijn passen als ik.Ook zal hij niet zo lopen te hijgen als ik, want hij is veel lichter gebouwd. In de vierde ronde komt hij naar voren, naar de vierde plek, schouder aan schouder met een Amerikaan, die hij in de laatste bocht uit alle macht probeert te passeren, maar de Amerikaan geeft geen krimp. De strijd om de eerste plaats gaat tussen de Schot Josh Kerr en de Noorse Olympisch kampioen Jakob Ingebritsen. Kerr wint verrassend. Laroswordt op het laatste rechte eind nog door een stuk of vijf lopers gepasseerd. Hij wordt tiende  in een tijd van 3.31.25, een nieuw persoonlijk en Nederlands record, tweeënveertig seconden sneller dan de  tijd die ik 63 jaar eerder liep als winnaar van een wedstrijd voor a-junioren. Ik had alles uit mijn achttienjarige lijf gehaald wat erin zat, maar als we tegen elkaar hadden gelopen was de even oude Laros me driekwart ronde voor gebleven. Wat is er gebeurd in de tussentijd? Aan de baan en het schoeisel is het nodige verbeterd. Maar toch moeten we lijkt me dit grote verschil grotendeels op het conto van de menselijke evolutie schrijven.

Annuleren